
(Hazelaar dus, zo bleek nadat ik het boek erbij had gepakt…
Foto eigen beheer.)
Na mijn ervaring met het ritueel bij de Tarot training werd het tijd om eens een volledig altaar op te bouwen en Lammas, het begin van de oogst, leek me een mooie gelegenheid.
Ik heb met sommige attributen en onderdelen rationeel nog wel veel moeite, maar alleen praktische ervaring geeft me de ruimte om echt mijn mening te vormen.
Gewoon es doen dus en waarom niet hier, tijdens mijn verblijf in Friesland, dichter op de natuur. Ik had wat door-en-door gekleurde kaarsen meegenomen uit Amsterdam en toevallig de kandelaars die ik al een tijdje zocht gevonden bij een antiekwinkeltje in de buurt (en met de hand opgeknapt), de rest zou ook wel lukken.
Terwijl ik door de dag heen buiten liep en wat items verzamelde voor het ritueel viel er een groot hartvormig blad voor mijn voeten. Glimlachend keek ik naar beneden “okee, als je je zo aanbiedt, mag je ook meedoen”.
Tot mijn eigen verbazing werd het weelderig altaar, de tafel was bijna te klein voor al die symbolen die ik had verzameld en al met al zag het er indrukwekkend uit. Ik trok een cirkel (voor zover ik dat serieus kon nemen) en hield een kort ritueel terwijl de regen zich inhield maar er aan de lucht dreigend geflitst werd.
Mijn ervaring?
Het heeft een mysterieus tintje, zo middenin de nacht bij een altaar vol kaarsen en symbolen, in het donker in mijn jurk op blote voeten. En opnieuw viel me de warmte in de cirkel op. Tóch weer.
De volgende dag ontdekte ik dat het hartvormige blad afkomstig is van de hazelaar, de boom die door de Germanen werd geassocieerd met Thor, god van de donder. Laat ik nou toevallig in mijn spreuken een regel opgenomen hebben “… en het onweer knalt”.
De kaarsen heb ik in de volgende dagen verder op laten branden (ik zou het niet op mijn geweten willen hebben dat er brand zou uitbreken en een omgevallen kaars is zo gebeurd met rondspringende katten).
Terwijl ik de laatste regel van het boek van Curott uitlas en het boek met een zucht dichtsloeg, zag ik dat de kaarsen bijna opgebrand waren. Ik blies het laatste restje uit en tegelijk zag ik een felle bliksemflits, gevolgd door een krakende onweersklap en daarna was het stil.
Met opgetrokken wenkbrauwen keek ik om me heen.
“Nou zeg?? Zoiets verzin je toch niet?!”
(zomer 2006)